Sjaak van der Velden - Eigengereid Historicus

Hoofdstuk 2 uit het boek Werknemers in Actie. Twee eeuwen stakingen, bedrijfsbezettingen en andere acties in Nederland. De negentiende eeuw tot 1872.

Is niet meer in de handel maar een beperkt aantal is nog te bestellen voor 10 euro incl. verzending via het contactformulier.
 
De negentiende eeuw begint in Nederland eigenlijk pas in 1813. De Franse legers onder Napoleon die het land achttien jaar bezet hadden gehouden, waren op de terugtocht en de zoon van stadhouder Willem V kwam op verzoek van het verzet aan op het strand van Scheveningen waarna hij door een vergadering van notabelen tot soeverein vorst werd benoemd. Hij zou de geschiedenisboeken in gaan als koning-koopman Willem I omdat hij veel belangstelling toonde voor de economische ontwikkeling van de Nederlanden.
Die interesse was ook wel nodig, want het land was op het einde van de achttiende eeuw behoorlijk in verval geraakt en bovendien flink gehavend tijdens de bezetting. Het economisch leven in het noorden was tot stilstand gekomen, doordat de Fransen gedurende de laatste jaren van hun bewind alles ten dienste stelden aan de oorlogsinspanningen. Daarnaast werd de bestaande achterstand ten opzichte van Groot-Brittannië alleen maar groter. Er diende iets ingrijpends te gebeuren. Deze twee punten golden vooral het noordelijk deel van het koninkrijk en minder het zuiden. In de visie van Willem I moest het zuiden daarom meewerken aan het herstel van de noordelijke provincies. Het is onder meer deze afgedwongen bijdrage geweest, die er toe heeft geleid dat het koninkrijk uiteen viel. In 1830 kwamen de zuiderlingen in opstand en negen jaar later erkende de internationale gemeenschap de onafhankelijke staat België. Wij zullen ons in de geschiedschrijving van het arbeidersverzet beperken tot de grenzen van het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden zoals we die sinds 1839 kennen.
Willem I wordt een verlicht despoot genoemd. Dat betekent dat zijn bestuur vrijwel absoluut was, maar hij toch rekening hield met de belangen van het volk. Hij leidde haast alle facetten van het regeringsbeleid, maar liet zich goed adviseren door zijn onderdanen. Er was zelfs een soort volksvertegenwoordiging,  maar deze had alleen het recht om eens in de tien jaar de regeringsbegroting vast te stellen. Zelfs dit recht werd door Willem I geregeld omzeild, door veel Koninklijke Besluiten uit te vaardigen. De 55 volksvertegenwoordigers werden gekozen door de Provinciale Staten, die op hun beurt werden gekozen door leden der ridderschap en leden der stedelijke raden. Aan die verkiezingen nam nog geen twee procent van de bevolking deel. Het zal duidelijk zijn dat de arbeiders en arbeidsters die onderwerp van onze studie zijn, daar niet toe behoorden. Dit systeem onderging gaandeweg de eeuw een aantal wijzigingen, maar het zou nog tot 1848 duren voor er rechtstreekse verkiezingen voor de Tweede Kamer kwamen. Zelfs toen mochten nog slechts enkele procenten van de mannelijke bevolking stemmen.
Sommige onderzoekers betwijfelen of het ingrijpen van Willem I in de economische ontwikkeling wel goed is geweest. Onmiskenbaar is echter de grote invloed van dat ingrijpen. In rap tempo werd ge­tracht de infrastructuur van Nederland te verbeteren. In het jaar dat de Belgen definitief hun eigen natie kregen, reed de eerste trein in Nederland tussen Amsterdam en Haarlem. Ook werden in de jaren tussen 1810 en 1830 bijna 240 kilometer nieuwe kanalen gegraven en maakte de overheid een begin met de aanleg van verharde wegen.
Onder het bewind van Willem I trachtte de overheid aanvankelijk ook om de industrie te stimuleren, door via een Fonds voor de Nationale Nijverheid tegen gunstige voorwaarden leningen te verstrekken. Deze leningen gingen vooral naar bedrijven in de textiel, scheepvaartondernemingen en de scheepsbouw. Dat het juist deze drie bedrijfstakken waren, is geen toeval. Nederland had immers nog een grote koloniale erfenis in vooral Oost-Indië en de contacten daarmee werden in die tijd uiteraard nog met schepen onderhouden. Bovendien overspoelden de Engelsen de Indische markt met hun door de industriële revolutie goedkoop geworden textiel. Waarom zou Nederland niet proberen deze markt terug te winnen? Onder dwang werd bovendien in die jaren veel arbeid door vooral de Javanen verricht en de uitbating van het koloniale bezit was in de jaren 1830-1860 de kurk waarop Nederland dreef, aldus de economisch historici Van Zanden en Van Riel.
Al snel na de afscheiding van België bleek ook het persoonlijke bewind van Willem I minder succesvol dan hij zelf misschien verwachtte. De wereld was veranderd door de opkomst van Engeland als industriële natie en de Franse revolutie en daarin was geen plaats meer voor landen waar een vorst alle economische macht naar zich toe trok. Het kapitalisme was begonnen aan zijn onstuimige opmars en het vroeg daarbij om zo groot mogelijke vrijheid. Deze werd het echter nauwelijks gegund door een koning die wel van goede wil was, maar niet werd voortgedreven door een vitale burgerij. Bovendien kende Nederland als erfenis van beter tijden toen de economie wel floreerde, een groot lompenproletariaat dat nauwelijks productief  was. De sporadische moderne industrie die tot stand kwam, was gedwongen de meeste vaklieden uit het buitenland te halen. Lokale arbeiders werden slechts ingezet voor het simpelste werk. De armoede voor de werklozen viel veel waarnemers op en er werden tientallen plannen bedacht om ze aan het werk te krijgen en zo het pauperisme te bestrijden. Dwang en scholing gingen in die plannen hand in hand, maar het belangrijkste was dat er werk voor ze moest zijn. Zelfs de mensen die werk hadden, leefden echter vaak in kommervolle omstandigheden. Een van de oorzaken daarvan was het stelsel van accijnzen waardoor brood en vlees duur en voor velen vrijwel onbereikbaar bleven. Zij leefden grotendeels op een rantsoen van aardappelen met azijn. Vincent van Gogh heeft daar een mooie afbeelding van gemaakt, maar wie door de kunstzinnigheid heen kijkt, ziet slechts ellende. Daarnaast waren de lonen laag, iets dat de ondernemers ook niet stimuleerde om te moderniseren.
Ondanks, maar eigenlijk juist dankzij de enorme armoede kwam het slechts sporadisch tot opstandigheid. De ellende was geen gevolg van de moderne industrie zoals in andere delen van Europa en men kon de schuld dus ook niet aan kapitalisten geven. Erger nog, kapitalisten ontbraken vrijwel geheel en de rijken die er wel waren, deden juist veel aan liefdadigheid. Op die plaatsen waar wel een nieuwe en bloeiende industrie tot stand kwam, deden zich in de jaren dertig prompt enkele conflicten voor, zoals in Lonneker waar in 1835 door de wevers van De Maere het werk werd neergelegd. Volgens hen trok de patroon de Duitse arbeiders voor en daarom wilden ze een vijftiental van hen vermoorden. De Duitsers ontsnapten, maar in januari 1836 werden vanwege deze actie vijf Nederlandse arbeiders veroordeeld tot twee jaar gevangenis, 25 gulden boete en betaling van de kosten.
Een andere actie van arbeiders vond plaats in de scheepsbouw in juli 1837. Dit betreft een staking te Feijenoord bij de Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij als gevolg van een door de directie opgelegde straf. De rust werd hersteld door marechaussees.
Deze gevallen en de acties van de grondwerkers waar we nog uitgebreid bij stil zullen staan, vormen echter slechts uitzonderingen op de algehele lethargie van de Nederlandse armen. De discussies over het autocratische bewind van Willem I gingen volledig aan hen voorbij. Het liberale programma van Thorbecke uit 1839 volgens welke de verantwoordelijkheid voor de regering bij de ministers moest komen te liggen en vrijhandel en vrijheid van drukpers werden gevraagd, maakte geen gevoelens bij de armen los.
De koning gaf nauwelijks toe aan de verlangens van de liberalen, maar trad in 1840 wel af omdat hij teleurgesteld was over de vele kritiek. Bejubeld was hij binnen gehaald, maar met de staart tussen de benen maakte hij plaats voor zijn zoon, Willem II.
De verandering van regime veranderde uiteraard niets aan de problemen. De staatsschuld was in tien jaar met een vijfde toegenomen, het nationaal inkomen sinds 1835 met tien procent gedaald en de liberale oppositie niet volledig tevreden gesteld in zijn verlangens. De staatsschuld kon met de hulp van de financiële elite worden gesaneerd, maar de andere structurele problemen zoals een stagnerende industrie bleven dezelfde omdat de knellende regelgeving bleef bestaan en alle initiatief in de kiem smoorde. Daar kwamen nog rampen bij. In 1845 trad in heel Europa de aardappelziekte op, wat ertoe leidde dat de oogst mislukte en de prijzen van voedingsmiddelen stegen. In dat jaar steeg de prijs van alle landbouwproducten met 38%, het jaar daarop met 29% en in 1847 maakte men nog eens een flinke prijsstijging mee, nu van 22%. In drie jaar waren de prijzen  dus meer dan verdubbeld en dat leidde op verschillende plaatsen tot voedselrelletjes. Boven op dit alles kwam ook nog een cholera-epidemie die duizenden levens kostte.
In Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en Italië braken vervolgens in 1848 revoluties uit en Willem II was hier zo van onder de indruk, dat hij zich ‘bekeerde’ tot de liberale opvattingen over de staat. Er kwam een nieuwe grondwet waarin werd bepaald dat ministers voortaan verantwoordelijk zouden zijn voor het beleid en de Tweede Kamer tot stand zou komen door rechtstreekse verkiezingen. Ook kwam de vrijheid van godsdienst tot stand, naast de rechten van drukpers, vereniging en vergadering voor zover niet strijdig met wettelijke bepalingen. In de jaren die volgden werden diverse maatregelen genomen om de belemmeringen voor een moderne samenleving op te heffen. Eindelijk kwamen de beginselen van de Franse revolutie van 1789 ook in Nederland tot wasdom.    
Die revolutie was uitgebroken onder het motto ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ uit verzet tegen het absoluut koningschap, maar bracht nota bene een keizer voort. Echter niet alleen een keizer, maar ook een herziening van het hele juridische stelsel. De ideologie van de revolutie was het liberalisme, dat steunde op verlichtingsidealen, en de klassieke economie. Beide plaatsten de individuele mens in het centrum en het liberalisme was daarom tegen staatsingrijpen in het economisch leven. Hoewel het alom als de ideologie van de opkomende klasse van kapitalistische ondernemers wordt gezien, denkt een liberaal niet in termen van klassen. Mensen moesten zich in economisch opzicht onthouden van organisatievormen op grond van klasse of groepsbelang. Een maatregel die uit deze gedachte voortvloeide was een verbod op samenwerking tussen arbeiders om hoger loon te krijgen of tussen ondernemers om dit te beletten.
In 1811 werd in Nederland de Franse Code Pénal van kracht en daarin was het zogeheten coalitieverbod opgenomen. Artikel 415 luidde: "Alle onderlinge zamenspanning of vereeniging van de zijde der werklieden, om tegelijkertijd het werk te doen ophouden, het werk in een fabriek of werkplaats te verbieden, het te werk komen en blijven voor of na zeker uur te beletten en in 't algemeen, om den arbeid te doen staken, te beletten of duurder te maken, zoo wanneer er eenige poging in het werk gesteld of een aanvang met de uitvoering gemaakt is, zal gestraft worden met een gevangenis van ten minste een maand, en ten hoogste drie maanden. De hoofden of aanleggers zullen gestraft worden met een gevangenzetting van twee tot vijf jaren.". Deze wettelijke bepaling gaf blijk van inzicht in de macht die stakende of zich organiserende arbeiders konden ontplooien, maar tevens van een gebrek aan inzicht in menselijke betrekkingen. Alle individuen worden als gelijkwaardig beschouwd zonder enig begrip van de machtsverschillen tussen hen. De afzonderlijke kapitaalbezitter stelde men tegenover de duizenden  afzonderlijke arbeiders, die voor hun dagelijks brood letterlijk dagelijks afhankelijk waren van die kapitalist. Allen inwisselbaar en machteloos.
Alsof de wetgever deze verhoudingen nog eens duidelijk wilde laten blijken nam hij in 1838 de volgende bepaling op in het Burgerlijk Wetboek: "De meester wordt op zijn woord, des gevorderd met eede gesterkt, geloofd.". Deze juridische onderschikking van de arbeider aan zijn baas gold slechts in arbeidsconflicten, maar gaf de arbeider in een conflict voor de rechtbank weinig kans. De bepaling bleef geldig tot het nieuwe BW van 1907. Voor zeelieden was de Nederlandse wetgever nog vele malen strenger. Artikel 9 van de Wet van 7 mei 1856, houdende bepalingen omtrent de huishouding en tucht op koopvaardijschepen luidde: “Muiterij, gewelddadig verzet, dienstweigering, bedreiging jegens meerderen in rang, of jegens hen, die met eenig tijdelijk gezag zijn bekleed, en weigering van bijstand bij muiterij of gewelddadig verzet en bij het arresteren van schepe­lingen, kunnen met gelijke disciplinaire sluiting in de boeijen gedurende drie dagen, zelfs verhoogd door kromsluiting in de boeijen gedurende den dag, door den schipper worden gestraft.”.  Deze wet bleef tot 1929 geldig.
Ondanks deze wetgeving hebben arbeiders zich af en toe verzet tegen de omstandigheden en getracht door staking of oproer hoger loon te verkrijgen. In het vervolg zullen we zien dat arbeiders in de eerste zeventig jaar van de negentiende eeuw zeer geregeld hebben gestaakt als reactie op hun slechte leefomstandigheden. Ook op andere wijze gaven zij echter soms blijk van onvrede. Zoals in 1859 te Waalwijk toen een schoenfabrikant een stikmachine wilde gaan gebruiken. De arbeiders die zich hierdoor bedreigd voelden, belegerden als reactie de werkplaats en molesteerden de ondernemer. Over het algemeen houden we ons hier echter met stakingen bezig, want dat zijn de bekendste uitingen van verzet door arbeiders en ook de vaakst voorkomende.
Het begon al vrij vroeg onder de regering van Willem I. In 1819 liep een conflict in Scheveningen tussen reders en vissers zo uit de hand dat de overheid zijn geweldsmonopolie aan moest spreken om de rust te herstellen.
Gedurende de volgende vijftig jaar legden arbeiders in de veenderijen gemiddeld ieder jaar een keer het werk neer, dat is een kwart van de 205 stakingen die in Nederland plaats vonden tot 1872. Tellen we deze vijftig conflicten op bij de 68 in het grondwerk en de vier in de landbouw, dan kunnen we constateren dat de meerderheid van de stakingen buiten de steden en onder de ongeschoolde arbeiders plaats vond. Dat is misschien wel het grote kenmerk van negentiende eeuwse stakingen: zij waren vooral een uiting van het verzet van juist die duizenden naamloze mensen die het land letterlijk een ander aanzien hebben gegeven.
Het graven van kanalen betekende opeenhoping van grote groepen arbeiders, want alles gebeurde nog met de hand. Duizen­den groeven bijvoorbeeld het tachtig kilometer lange Noord-Hollands Kanaal. Zo'n concentratie van arbeiders leidde van tijd tot tijd tot oproer. Drie stakingen die hebben plaatsgehad tijdens de aanleg van dat kanaal waren onderwerp van een studie die in 1976 verscheen. De schrijvers, Vincent Vrooland en Jeroen Sprenger, ontrukten daarmee voor het eerst de strijd van ongeschoolde arbeiders in het begin van de negentiende eeuw aan de vergetelheid.
Aannemer Huyskens, een opgeklommen ‘polderjongen’, had zijn karwei goedkoop aangenomen. Hij kon het werk slechts realiseren door zijn arbeiders onder extreem slechte omstandigheden te laten werken. Dit leidde ertoe dat deze arbeiders trachtten hun rantsoen aan te vullen door -zeer indringend- te bedelen en te stropen. Daarbij werd in de herbergen veelal gemakkelijk krediet gegeven en dat leidde weer tot schulden. Onvrede kon onder deze omstandigheden niet uitblijven. De stakingsoproep van zekere Tieleman van Dungen is overgeleverd: "Jongens, wij moeten morgen niet werken, en die aan het werk gaat moeten wij met de Spade tussen hals en nek slaan, dan krijgen wij opslag.". Na acht dagen staken bood Huyskens inderdaad meer loon, maar niet voor iedereen en daarmee was de beer echt los.
Op 27 mei 1823 trok een bonte stoet arbeiders op naar de keet van Huyskens onder aanvoering van iemand met een rode vlag. De menigte groeide aan tot zo'n driehonderd man, die om het hoofd van de aannemer vroegen. Enkelen van hen, overmoedig geworden door het drinken van jenever, trachtten Huyskens uit zijn keet te halen. Deze schoot daarop twee man dood en verwondde een derde. De woede van de arbeiders kende nu haast geen grenzen meer, maar toch wisten ingenieur Van Asperen en Huys­kens' vennoot Van Hegeraad de gemoederen te bedaren. Zo gauw Huyskens echter uit zijn verschansing te voorschijn kwam, laaiden de haatgevoelens weer op. Onder de uitroepen "We hebben hem, we hebben hem! Slaat dood, slaat dood!" werd de aannemer met alles wat maar voorhanden was inderdaad bijna doodgeslagen. Hij werd in een keet in veiligheid gebracht, maar stakers drongen de keet binnen en sloegen hem alsnog dood.
Na de staking kwam het tot een rechtszaak. Drie arbeiders werden veroordeeld tot geseling en brandmerking, één slechts tot geseling en de twee laatsten tot 'te pronkstelling op het Schavot'. Bovendien kregen de zes bij elkaar 45 jaar gevangenisstraf opgelegd. Gevoel voor cynische humor kan de veroordeelden niet worden ontzegd. Cornelis Duyn, de man die roepend "Doet het geen mensch dan doe ik het" Huyskens de beslissende dodelijke klap gaf, verklaarde tegenover justitie dat hij zijn baas wat rechter in bed had willen leggen.
Huyskens was dood en de rust hersteld. De omstandigheden bleven echter dezelfde. Binnen een maand kwam het opnieuw tot ongeregeldheden en in augustus brak wederom een staking uit. Ook het jaar daarop staakten de arbeiders, maar de overheid was nu voorbereid. Het verzet werd in de kiem gesmoord.
Gedurende de negentiende eeuw hebben zich tientallen van dit soort stakingen voorgedaan. Ze vonden plaats onder het niet-stedelijke proletariaat dat werkzaam was in allerlei vormen van grond­verzet. Dan eens heetten ze dijkwerker, dan weer polderjongen of poldergast. Over de werkomstandigheden schreef enkele tientallen jaren later de gewezen grondwerker Janus van Emmenes het boekje Het leven der polderjongens.  Hierin kunnen we lezen hoe deze mensen altijd op zoek naar werk, door de aannemers werden misbruikt. De aannemer nam ze aan in ploegen van twaalf die onder leiding van een putbaas stonden. De putbaas werkte over het algemeen zelf hard mee, maar trachtte als tussenpersoon tussen arbeiders en aannemer wat extra’s te verdienen. De mannen waren gehuisvest in vaak door henzelf gebouwde keten en leefden op een rantsoen van aardappelen, spekvet, pap en brood. Van Emmenes leverde hierop het volgende commentaar: “Onbegrijpelijk is het hoe bij zo’n ellendige huisvesting en met zulk voedsel in de maag het zware werk kan worden verricht. Want hun werk is zwaar, buitengewoon zwaar. Hebben ze kruiwerk, dan brengen ze minstens elke minuut een kruiwagen twintig meter ver weg, beladen met ‘elf steken blauwe klei’ of ‘negen steken klapzand’, in elk geval ’n vrachtje van ’n paar honderd kilo”.
Op zichzelf aangewezen als ze waren, grepen deze mannen, als het ze te gortig werd, geregeld naar het wapen van de staking. Vlak voor of direct na aanvang van het werk werd de arbeid neergelegd teneinde hoger loon te bedingen. Groepen arbeiders met rode vlaggen trokken rond om de anderen van het werk te halen, waarna de rust door de autoriteiten werd hersteld.
Ter illustratie laten we nog enkele stakingen de revue passeren. In mei 1819 vond de eerste die we hebben gevonden plaats in Finsterwolde. Veertig a vijftig dijkwerkers zagen volgens de berichten kans om 1.400 tot 1.500 arbeiders onder bedreiging van het werk te halen. Hierop herstelden infanteristen de rust en arresteerden de aanstokers.
In januari 1826 vond een staking in de buurt van Den Haag plaats. Zij 'morden over de geringe dagloonen'. Vier arbeiders werden gearresteerd omdat zij de putbaas Berendse hadden mishandeld. De gearresteerden waren: Jacob Lelieveld, 26 jaar; Willem van der Hoeven, 38 jaar, Johannes Franken, 20 jaar uit Loosduinen en de 'allerbrutaalste Scheveninger' Hendrik Taal, 23 jaar.
In 1840 trad "een vrij ernstige combustie" op bij de droogmaking van de Zuidplas ten noorden van Rotterdam, waarbij "enkele arbeiders met een rood vaandel" vijftien honderd collega’s beletten om door te werken. De rust werd hersteld door het optreden van het garnizoen uit Gouda en het toestaan van een kleine loonsverhoging. Enkele dagen later brak bij de droogmaking van de Haarlemmermeer een staking uit. Tweehonderd poldergasten met rode linten 'aan het hoofd' schoolden samen om de Belgische arbeiders te verjagen en voor zichzelf hoger loon te verkrijgen. Kurassiers herstelden de rust. In 1869 brak te Noordbroek onder kanaalgravers een staking van 180 man uit, ze "hadden hunnen arbeid ge­staakt, en trokken in dronken­schap, met woest geraas en getier, het dorp door.".
Wat de genoemde stakingen vooral lijkt te typeren is het veelvuldig gebruik van geweld. Gedeeltelijk is dat te verklaren uit het tot 1872 bestaande stakingsverbod, dat immers straffen stelde op onderlinge ‘zamenspan­ning’ ter verkrijging van hoger loon. De overheid ging er als gevolg van dat verbod tamelijk snel toe over machtsmiddelen toe te passen. De stakers waren zelf echter ook niet afkerig van geweld om collega's te dwingen mee te doen of van geweld tegen leidinggevenden. Nog een voorbeeld kan dit verduidelijken: in 1866 werd tijdens het graven van het Noord­zeekanaal door de arbeiders gestaakt. Stalmeester Maes schoot toen een staker dood. Daarop werd hij door een veldwachter neergeschoten en door de polderjongens dusdanig mishandeld dat hij 'zieltogend' naar het ziekenhuis moest worden gebracht. Geweld is, zoals we al hebben gezien, ook enkele malen gebruikt tegen buitenlandse arbeiders die ervan werden verdacht voor lagere tarieven te werken ofwel de lonen te drukken.
Een ernstig geval van zo’n staking vond eind april 1869 in Zeeland plaats. Ongeveer tweeduizend grondwerkers, werkzaam aan het kanaal door Walcheren, staakten de arbeid omdat volgens hen Belgische arbeiders voor lager loon werkten. Ze wilden dezen wegjagen. De aannemers beweerden daarentegen dat de Belgen niet minder verdienden dan de Hollanders, maar dat de Nederlanders gewoon hoger loon wilden en de Belgen daarvoor als een bedreiging zagen. Reeds op 21 april was er in Middelburg een optocht van honderden personen geweest, wat aangeeft dat het al een tijdje gistte. Militairen en schutterij traden op. Er werd in die tijd gesproken over mogelijk vijf doden, die tijdens de "ernstige ongeregeldheden"  zouden zijn gevallen. In Vlissingen sloopten de polderwerkers enkele keten en trokken toen op naar de stad. De tweede dag waren er nog wel samenscholingen, maar bleef het verder rustig.
De Belgen zijn overigens gevlucht. Op 21 augustus diende in Middelburg nog een zaak tegen een van de stakers wegens mishandeling. Hij had samen met driehonderd andere -met puthaken bewapende- stakers te Arnemuiden twee Belgen zwaar mishandeld en er was geroepen "dat men de Belgen moest doodslaan". Hij kreeg drie jaar en 25 gulden boete.
Hier waren het buitenlandse medearbeiders waar de staking zich tegen richtte, maar in een aantal andere stakingen waren het juist buitenlanders die in staking gingen. Zoals in 1829 toen rond de 25 Oostfriese arbeiders probeerden hun collega’s bij het graven van de Binnen-Aa in Nieuwerschans tot staking aan te zetten. Op 23 juni was de rust door infanteristen hersteld.
Men dient zich bij lezing van stakingsverslagen, waarin geweld regelmatig een rol speelde, te realiseren dat dit in de negentiende eeuw vaak voorkwam. Niet alleen tijdens stakingen, maar overal. De vonnissen die na de stakingen van 1823 werden uitgesproken (geseling, brandmerking en tepronkstelling op het schavot) geven al aan hoe de overheid ermee om ging. De hele samenleving was minder soft dan wij gewend zijn. Tijdens de stakingen van grondwerkers en veenarbeiders trad de overheid vrijwel altijd hard op. Dit vaak in reactie op door de stakers gebruikt geweld, maar diende ook om de stakers te intimideren. Diverse malen werden legereenheden naar de veenderijen e.d. gestuurd wanneer nog slechts het vermoeden bestond dat een staking op komst was. Bijvoorbeeld in 1841. Toen werden 53 mineurs naar Bennekom gezonden omdat daar vier honderd arbeiders waren geconcentreerd vanwege de aanleg van de spoorlijn Amsterdam-Arnhem. Niet dat er sprake was van onlusten, maar deze arbeiders leden 'uiterst gebrek', welk feit reeds als 'gevaarlijk' werd beschouwd.
Het harde optreden van beide partijen had af en toe zelfs doden ten gevolge. In de negentiende eeuw zijn voor zover ik heb kunnen achterha­len in Nederland zeven stakers gedood en daarnaast viel ook een aantal slachtoffers onder leidinggevenden, gezagsdragers en onderkruipers. Overigens zouden de meeste doden in de twintigste eeuw vallen.
Wat we tot hier hebben besproken aan stakingen onder grondwerkers treffen we ook aan onder de werkers in de veenderijen. Zij staken de turf uit de grond die diende als brandstof in de tijd dat steenkolen en petroleum, om maar niet te spreken over aardgas,  niet toegankelijk of zeer duur waren. Hoge belastingen op steenkool beschermden de turfwinning, maar hielden de prijzen van zowel kolen als turf hoog. De omstandigheden waaronder de turfstekers leefden en werkten leken erg op die van de grondwerkers en bijgevolg treffen we onder de veenarbeiders eenzelfde soort verzet aan. Vaak spontaan, massaal en gewelddadig.
Een van de eerste vond in 1831 plaats in Lemsterland. Er waren acht à negenhonderd vreemdelingen aangekomen voor werk in de veenderijen, maar ze waren ontevreden over het dagloon. Zij trokken dagelijks in groepen van enkele honderden door het land en bedreigden werkwilligen. Er kwamen dus militairen, 130 man sterk. Na de arrestatie van zeventien stakers en de opdracht aan de Duitsers om de gemeente te verlaten, keerde de rust weer.                                                           
Stakingen van Duitsers kwamen in de veenderijen zo vaak voor dat Johan Frieswijk veronderstelde dat zij het staken aan de Nederlanders hebben geleerd. Naar aanleiding van een staking in 1868 te Steenwijk schreef hij: "De stakingen hebben tot bewustwording van de Nederlandse arbeiders geleid, waarbij mogelijk de Duitse arbeiders het voorbeeld hebben gegeven.". Deze gedachte is overigens ruim een eeuw geleden al geuit door Henriëtte Roland-Holst, maar, zoals is gebleken uit de stakingen van grondwerkers, maakt dat nog niet dat ze klopt. De stakingen van buitenlanders zijn zeker niet vooraf gegaan aan de stakingen van Nederlandse arbeiders en we kunnen dus niet spreken van een soort importartikel. Loonarbeid roept stakingen op en daarvoor is een voorbeeld niet strikt noodzakelijk, wat ook onlogisch zou zijn. Wie had die buitenlandse arbeiders dan weer op het idee gebracht? Nog weer andere arbeiders? Of linkse intellectuelen? Het uiteindelijk resultaat van deze niet door de feiten ondersteunde gedachte is natuurlijk dat arbeiders pas in verzet zijn gekomen, nadat een invloed van buiten hen daartoe aanzette. De stakingsverslagen doen ook licht het idee postvatten dat de stakers een domme, drinkende en niets­ontziende massa vormden.
Deze gedachten kwamen latere geschiedschrijvers afkomstig uit vak­bondskring goed van pas. Het leek er immers op dat de arbeiders slechts bij tijd en wijle zeer ongericht in verzet kwamen. Pas de vakbonden zagen vervolgens kans om meer doelgericht leiding te geven aan het verzet van arbeiders. Frits de Jong, de officiële geschiedschrijver van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen schreef in 1956 bij voorbeeld: “Het is te begrijpen, dat in deze sfeer van pauperisme en verslaving een op inzicht en samenwerking gebaseerde arbeidersbe­weging geen kans had- een rebels, revolutionair verzet des te meer.”. Een andere geschiedschrijver, Gerda van Asselt, heeft er echter naar aanleiding van een veenstaking in 1840 te Dedemsvaart  reeds op gewezen dat "blijkt dat we hier niet te maken hebben met een uitbarsting van woede en ongeorganiseerd verzet" . Zij leidde dat af uit het feit dat de arbeiders steun zochten bij een advocaat en de gouverneur. In 1862 werden twee arbeiders tot acht dagen gevangenisstraf veroordeeld omdat zij een vergadering hadden belegd tot werkstaking in Lonneker en Enschede. Bovendien stelden zij een contract op waarin de arbeiders zich tot die staking verplichtten. Ook hieruit kunnen we niet anders concluderen dan dat deze arbeiders zeer doelbewust actie voerden.
De staking van Amsterdamse scheepstimmerlieden uit 1869 mag dan als zodanig bekend staan, het is niet echt de 'eerste georganiseerde werkstaking' zoals de titel van een artikel van Vleggeert uit 1968  luidde. Stakers organiseerden voor­dien hun stakingen ook, maar niet in het kader van een vakorganisa­tie. Die bestonden immers nog niet. Het is derhalve niet juist om van georgani­seerde versus ongeorganiseerde stakingen te spreken, maar beter van wel of niet door een vakorganisatie geleide stakingen. Vrijwel elke staking kent een zekere mate van organisatie, al is het maar doordat de stakers zich laten leiden door informele leiders.
De stakingen die we tot hier hebben behandeld, waren vooral stakingen van ongeschoolde grondwerkers in het bouwvak en de veenderijen. Behalve grondwerkers werkten in de bouw echter ook geoefende en geschoolde arbeiders. We kunnen daarbij den­ken aan timmerlieden, metselaars, heiers, schilders enz. en ook door hen werd in de negentiende eeuw gestaakt. De eerste staking van geschoolde bouwvakkers die ik heb gevon­den was er een van heiers. Deze vond plaats bij de bouw van het Academisch Ziekenhuis te Leiden in maart 1868. Verscheidene heiers liepen van het werk toen de aannemer over wilde gaan op stukloon omdat hem bleek dat de arbeiders de verwachte negen palen per dag niet haalden. Later op de dag keerden de stakers terug om de anderen te beletten door te werken. Ook nu weer traden politie en militairen op. Onderkruipers uit Katwijk zorgden er de volgende dag voor dat het werk door­gang kon vinden, maar al snel liepen zij tegen hetzelfde probleem op. Ook zij haalden de negen palen per dag niet en ook voor hen bleek toen het loon te laag. Wat te doen? Vanaf 9 maart legden de Katwijkers eveneens het werk neer. Of  zij wel resultaat hebben bereikt, is niet bekend.
In dezelfde periode staakten ook timmerlieden en metselaars in Zwartsluis, Koudekerk en Alphen aan den Rijn en in volgende jaren komen we meer stakingen van geschoolde bouwvakkers tegen. De bekendste staking van timmerlieden is die van scheepstimmerlieden op 29 april 1869 in de hoofdstad. De onrust en staking waren het gevolg van de gestegen huren  en waren gericht op een loonsverhoging van fl. 1,80 naar fl. 2,- per dag en verkorting van de arbeidstijd van 14 naar 12 uur. De staking was voorafgegaan door een onderdanig verzoekschrift, dat door 800 arbeiders was ondertekend. Toen op 18 mei onderkruipers nagelopen en uitgescholden werden kwamen er huzaren om de rust te handhaven. Vier dagen daarna gingen reeds 320 arbeiders aan het werk op de oude voorwaarden. Deze staking kon ondanks onderkruiperij en legeringrijpen toch tot een goede afloop komen, omdat het vaklieden betrof, die niet door onderkruipers van buitenaf konden worden vervangen. Wel werden de stakingsleiders in het vervolg van werk uitgesloten.
Dit conflict vond plaats in de jaren waarin de industrie voorzichtig begon te groeien en zich in Nederland prompt een stakingsgolfje voordeed. Allerlei groepen arbeiders beproefden het stakingswapen voor het eerst. Het zijn tevens de jaren waar­in de vakbeweging opkwam onder diezelfde groepen van geschoolde arbeiders.
 
Aangezien we staking als een collectieve actie hebben gedefinieerd is het noodzakelijk om aandacht te besteden aan ontstaan en ontwikkeling van de vakbeweging. Arbeiders die staken gaan een verbond met elkaar aan met het doel iets te bereiken. Als ze een duurzaam verbond aangaan noemen we dat een vakvereniging. Zo'n vakvereniging is volgens de nog steeds geldende definitie van het echtpaar Webb uit 1894: "een voortdurend verbond van loonarbei­ders, ten doel hebbende hunne arbeidsvoorwaarden te handhaven en te verbeteren.". Uiteraard hebben arbeiders naast vakorganisaties nog andere verenigingen opgericht, waarbij we kunnen denken aan ziekenbus­sen, begrafenisfondsen en dergelijke. In het kader van dit boek zullen we ons echter uitsluitend bezighouden met de vakbeweging en een enkel uitstapje maken naar politieke partijen.
Het coalitieverbod bestond nog steeds en verbood ‘onderlinge zamenspanning’ en was daarmee een rem op stakingen, maar uiteraard ook op de vorming van vakverenigingen. Typografen hadden ondanks dit verbod de eerste schreden gezet op weg naar vakorganisatie en dat leidde tot oprichting van de Algemeene Nederlandsche Typografenbond (ANTB) in 1866.
 
Al vanaf het prille begin van de vakbeweging kunnen we een tegenstelling constateren tussen de directe belangen van de leden en de belangen van de organisatie. In de definitie van de Webbs heeft de vakbeweging een duurzaam karakter en deze duurzaamheid kan botsen met onmiddellijke belangen. Reeds na drie jaar kwam deze tegenstelling bij de ANTB tot uiting. In juli 1869 gingen tweehonderd typografen in Amsterdam in staking, maar de bond weigerde hen te steunen. "Het bondsbestuur had geen verlof gegeven tot deze werkweigering en alzoo hadden de stakers geen recht op uitkeering uit de bondskas.", schreef Van der Wal, die de geschiedenis van de bond vastlegde.
Deze tegenstelling tussen leiding en leden zal een belangrijk kenmerk blijken te zijn van vele stakingen. Nu beperken we ons verhaal nog tot de jaren voor 1872 toen stakingen haast vanzelf buiten een vakvond om werden gevoerd. Inmiddels zijn we echter al aan het eind van deze periode aangeland, waarin Nederland flink was veranderd ten opzichte van de jaren dat Willem I aan het bewind kwam.
Nederland, dat een groot deel van zijn buitenlandse handel in handen zag van een staatsbedrijf moest wel meegaan in de liberalisering van de handel, die sinds de jaren veertig internationaal de norm was. De liberalen kregen, na de omwenteling van 1848, steeds meer de wind in de zeilen. Langzaam werden allerlei vrijheidsbeperkende regelingen uit het veld geruimd. De opheffing van het cultuurstelsel in 1870 in Indië is hier een goed voorbeeld van, maar ook het einde van het dagbladzegel (1869) gaf de aanzet tot een ingrijpende verandering. De prijs van kranten daalde hierdoor. Zo werden ze beschikbaar voor grote groepen Nederlanders, waardoor de omzet kon stijgen. Overigens is het niet zo dat alle liberalen ontkenden dat de overheid waar nodig, actief moest blijven ingrijpen. Omdat het maar niet wilde vlotten met de opbouw van een modern spoorwegnet richtte men het Staatsspoor (1863) op en om de havens van Amsterdam en Rotterdam een ruggesteun te geven, vatte de overheid het graven van het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg aan. Daarnaast kwamen vanuit de hoek van de sociaal-liberalen voorstellen om iets te doen aan de onhygiënische woontoestanden in vooral de steden. Ook kwamen de eerste wetten tot stand die de arbeiders als groep probeerden te beschermen. Het eerste en misschien wel bekendste voorbeeld hiervan is het kinderwetje van Van Houten uit 1874. In 1839 was door de gouverneur van Overijssel al een wetsvoorstel ingediend om kinderarbeid te beperken, maar dit voorstel en een tweetal onderzoeken waaruit bleek dat kinderen soms vijftien uur per dag moesten werken, vermochten de regering niet te vermurwen. Pas het wetsvoorstel van de progressieve liberaal Sam van Houten leverde beperking van de kinderarbeid op. Zijn wet verbood arbeid van kinderen beneden de twaalf jaar, maar gold niet voor huishoudelijke en landarbeid. Het was niet veel, maar het begin was er.

De samenleving was kortom volop in beweging en de economie begon aan een groeiperiode die in feite aan zou houden tot de Eerste Wereldoorlog. Dit tijdperk van expansie behandelen we in het volgende hoofdstuk.
Website Builder
mogelijk gemaakt
door Vistaprint